Oninbare vorderingen, wat te doen met de btw?

U heeft netjes de btw afgedragen van een factuur die u aan uw klant heeft verstuurd. Echter uw klant heeft de factuur niet betaald en gaat dit ook niet meer doen. U heeft nu een oninbare vordering. Hoe moet dat nu met de btw?

Tot 1 januari 2017

Tot 1 januari 2017 kon u de btw op oninbare vorderingen debiteuren, die u reeds had afgedragen aan de Belastingdienst, terugvorderen via een schriftelijk teruggaafverzoek. Daarbij moest u aannemelijk maken dat de betreffende klant, de debiteur in kwestie niet meer zou betalen. In geval van een faillissement van de debiteur was dit makkelijk aan te tonen. In alle andere gevallen was dit een stuk lastiger te onderbouwen. Vanaf 1 januari 2017 is dan ook het terugvragen van btw op oninbare debiteuren vereenvoudigd.

Vanaf 1 januari 2017

Vanaf 1 januari 2017 is de oude regeling aangepast op een aantal punten. De belangrijkste wijzigingen zijn:

  1. Vanaf 1 januari wordt de vordering als oninbaar aangemerkt, uiterlijk 1 jaar na het verstrijken van de uiterste betaaldatum. De betalingstermijn is hierbij van belang. Staat er op de factuur geen betalingstermijn? Dan moet er worden uitgegaan van de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen.
  2. U hoeft geen schriftelijk teruggaafverzoek meer in te dienen. De teruggaaf van de btw op de oninbare vorderingen debiteuren, kunt u via de reguliere btw-aangifte terugvorderen.

Een voorbeeld

Op 1 maart 2017 heeft u een factuur verstuurd aan uw klant X. Het in rekening gebrachte btw-bedrag bedraagt € 350. Deze btw, heeft u ook afgedragen aan de Belastingdienst. Op de factuur staat een betalingstermijn van 14 dagen. Het factuurbedrag zou dus op 15 maart 2017 op uw bankrekening moeten staan. Echter op 15 maart 2018 is de factuur nog niet betaald. De factuur kan nu als oninbaar worden aangemerkt, omdat er één jaar verstreken is na het opeisbaar worden van de factuur.

  • Doet u maandelijks btw-aangifte? Dan mag u het btw-bedrag van € 350 terugvragen in de btw-aangifte van maart 2018.
  • Doet u kwartaalaangifte? Dan mag u dit bedrag terugvragen in de btw-aangifte van het 1e kwartaal 2018.

Hoe verwerkt u dit in de btw-aangifte?

Hoe u de btw op oninbare vorderingen debiteuren in de btw-aangifte verwerkt, laten wij u zien in onderstaand voorbeeld.

Voorbeeld
Onderstaande facturen kunnen worden aangemerkt als oninbaar

Factuurbedrag Factuurbedrag exclusief btw 6% btw 21% btw
€ 5.000,- € 4.132,- € 868,-
€ 2.500,- € 2.358,- € 142,-

Het bedrag van de teruggaaf kunt u opnemen als negatieve omzet met het daarbij behorende negatieve bedrag aan btw (vraag 1a of 1b van de aangifte).

Rubriek 1: prestaties binnenland Bedrag waarover omzetbelasting wordt berekend Omzetbelasting
1a. Leveringen/diensten belast met hoog tarief -/- € 4.132,- -/- € 868,-
1b. Leveringen/diensten belast met laag tarief -/- € 2.358,- -/- € 142,-

U kunt er ook voor kiezen het (totale) bedrag van de teruggaaf op te nemen als aftrekbare voorbelasting (vraag 5b van de aangifte).

Rubriek 5: Voorbelasting, kleineondernemersregeling en totaal
5b. Voorbelasting € 1.010,-

Let op. Betaalt de klant alsnog de factuur? Dan bent u het btw-bedrag opnieuw verschuldigd. U dient het btw-bedrag dan aan te geven in het aangiftetijdvak waarin u de betaling heeft ontvangen.

Overgangstermijn

Niet via de btw-aangifte. Voor openstaande vorderingen die vóór 1 januari 2017 oninbaar zijn geworden dient u nog wel een schriftelijk teruggaafverzoek aan de Belastingdienst te versturen. De btw op deze oninbare vordering debiteuren, mag u dus niet in de btw-aangifte verwerken.

Wel via de btw-aangifte. Voor openstaande vorderingen met een uiterste betaaldatum vóór 1 januari 2017 die nog niet oninbaar zijn geworden, begint de termijn te lopen op 1 januari 2017. Dit betekent dat de vordering op 1 januari 2018 als oninbaar aangemerkt kan worden. De btw op deze vordering mag u dan in ingeval u maandaangifte doet, in de btw-aangifte van januari 2018 terugvorderen. Indien u kwartaal aangifte doet, mag u dit bedrag terugvragen in de btw-aangifte van het 1e kwartaal 2018. Is de vordering eerder oninbaar geworden? Bijvoorbeeld door een faillissement? Dan mag u de btw ook via een teruggaafverzoek terugvragen.

Schuldeisersakkoord of crediteurenakkoord

Heeft u een schuldeisersakkoord of crediteurenakkoord gesloten? Dan is er juridisch gezien geen sprake meer van een vordering voor dat deel waarvoor finale kwijting is verleend. Het recht op btw wegens oninbare vorderingen op debiteuren vervalt hierdoor voor dat gedeelte.

In de praktijk wordt een schuldeisersakkoord of crediteurenakkoord vaak aan de schuldeiser aangeboden om bijvoorbeeld een faillissement te voorkomen. U als schuldeiser gaat dan akkoord met een gedeeltelijke betaling, waarna u voor het restant van de schuld finale kwijting verleent.


De btw van oninbare vorderingen (facturen die niet betaald zijn) kunt u verrekenen via de btw-aangifte. Houd wel rekening met de overgangsregeling: voor openstaande vorderingen die vóór 1 januari 2017 oninbaar zijn geworden dient u nog wel een schriftelijk teruggaafverzoek aan de Belastingdienst te versturen en voor openstaande vorderingen met een uiterste betaaldatum vóór 1 januari 2017 die nog niet oninbaar zijn geworden, begint de termijn te lopen op 1 januari 2017.